
Houd een gewone koelkastmagneet tegen de buitenkant van de bodem. Blijft de magneet plakken, dan is de bodem magnetiseerbaar en werkt de pan op inductie. Blijft hij niet plakken, dan mist de bodem het ferromagnetische materiaal dat nodig is om het magnetische veld van de kookplaat om te zetten in warmte, en warmt de pan op inductie niet of nauwelijks op. Deze test kunt u zowel in de winkel als thuis met een bestaande pan uitvoeren, en is betrouwbaarder dan afgaan op het uiterlijk alleen.
RVS 18/0 is vrijwel altijd magnetisch en dus geschikt voor inductie. RVS 18/10, de meest gebruikte kwaliteitslegering voor kookpannen vanwege de corrosiebestendigheid, is dat niet automatisch: de nikkeltoevoeging maakt het materiaal soms juist niet-magnetisch. Fabrikanten lossen dit vaak op door een aparte ferritische laag in de bodem te verwerken, specifiek voor inductiegeschiktheid. Kijk daarom niet alleen naar de metaalsoort, maar naar de expliciete vermelding van inductiegeschiktheid door de fabrikant, meestal herkenbaar aan een spiraalsymbool op de verpakking of de bodem van de pan zelf.
Een inductiekookplaat levert per zone doorgaans tussen de 2.000 en 3.700 watt, geconcentreerd op een klein oppervlak. Bij een dunne bodem kan dat tot hotspots leiden: plekken die sneller garen of aanbranden dan de rest van de pan. Kies daarom een bodemdikte van minimaal 2,5 millimeter, en bij voorkeur rond de 3 millimeter voor de beste warmteverdeling. Verwarm de pan op inductie ook geleidelijk op in plaats van meteen op het hoogste vermogen, zeker bij een dunnere bodem.
Naast dikte telt ook vlakheid mee. Een lichtjes bolle of oneffen bodem, vaak het gevolg van jarenlang gebruik op gas, sluit minder goed aan op de inductieplaat en vermindert het rendement aanzienlijk. Bij een nieuwe aankoop is dit zelden een probleem, maar het is wel een reden om een oudere pan niet zomaar over te zetten naar een nieuwe inductiekookplaat zonder de bodem eerst te controleren.
Inductiezones herkennen de pan via het magnetische contactoppervlak. Is de bodem van de pan aanzienlijk kleiner dan de zone, dan schakelt de plaat soms niet in of verwarmt hij inefficiënt. Controleer de diameter van zowel de pan als uw kookzones voordat u koopt, vooral bij compactere inductiekookplaten met een kleinere zonediameter.
Op inductie warmt een snelkookpan sneller op dan op gas of een elektrische kookplaat, wat de totale bereidingstijd met tot wel 70 procent kan verkorten ten opzichte van traditioneel koken zonder snelkookpan, met tegelijk zo'n 50 procent minder energieverbruik. Dat voordeel geldt alleen als de pan daadwerkelijk geschikt is voor inductie; een ongeschikte pan warmt op inductie juist trager en onregelmatiger op dan op gas. Overweegt u tussen gas en inductie te kiezen voor uw volgende pan, lees dan ook de vergelijking tussen inductie en klassiek koken en waar u verder op moet letten bij aankoop.
Zet u een snelkookpan op het hoogste inductievermogen, dan bouwt de druk weliswaar snel op, maar bij een dunnere bodem verhoogt dat ook het risico op plaatselijk aanbranden voordat de warmte zich gelijkmatig heeft verspreid. Bouw de druk bij twijfel over de bodemdikte liever geleidelijk op: begin op een middelhoog vermogen en verhoog pas zodra u merkt dat de pan gelijkmatig opwarmt. Zodra de gewenste druk is bereikt, kunt u het vermogen vaak fors terugschroeven, omdat inductie de ingestelde temperatuur nauwkeuriger en sneller regelt dan gas.
Sommige inductiekookplaten schakelen automatisch uit of geven een foutmelding als ze de pan niet goed herkennen, ook als de pan wel degelijk magnetisch is. Dit gebeurt vaker bij pannen met een bodemdiameter die net kleiner is dan de kookzone, of bij pannen die niet helemaal in het midden van de zone staan. Plaats de pan bij twijfel goed gecentreerd en controleer de handleiding van uw kookplaat op de minimale pandiameter die wordt herkend.